Dwangmiddelen bij omgang kan in meerdere vormen. Welke kan u inzetten? Volgens de wet hebben beide ouders na ontbinding van het huwelijk, beëindiging van het geregistreerd partnerschap of beëindiging van de samenwoning recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding van de kinderen bij gezamenlijk gezag. Er bestaat bij, in de praktijk vaak vaders, het beeld dat zij minder rechten hebben ten aanzien van de kinderen dan de moeders.

Welke Dwangmiddelen bij omgang kan u inzetten? Indien een ouder, zonder goede of voldoende aannemelijke gronden, de omgang weigert met de andere ouder, zijn er verschillende handhavingsmogelijkheden. Deze dwangmiddelen bij omgang zijn o.a:

          • Begeleiding door derden van de omgang;
          • Wijziging van de bestaande omgangsregeling;
          • Opschorting van de verplichting tot betaling van (kinder)alimentatie;
          • Een aansporende boetebeding in de overeenkomst tot regeling van de omgang;
          • Veroordeling tot medewerking aan de uitvoering van een omgangsregeling op straffe van een dwangsom;
          • Lijfsdwang;
          • Benoeming van een bijzondere curator;
          • Het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel (bijvoorbeeld ondertoezichtstelling)
          • Wijziging van het gezag of van de hoofdverblijfplaats van het kind.

De praktijk van dwangmiddelen bij omgang

Uit de praktijk blijkt dat rechters zelden één of meerdere van bovengenoemde dwangmiddelen bij omgang opleggen. Het belang van het minderjarig kind speelt daarbij een grote rol. Een maatregel moet namelijk wel in het belang van het minderjarig kind zijn. Zo wordt bij veel maatregelen het minderjarig kind benadeeld, bijvoorbeeld bij het opschorten van de kinderalimentatie, of het opleggen van lijfsdwang. Want wie zorgt er voor het kind als de moeder in gijzeling wordt genomen. Ook maatregelen zoals het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel of het wijziging van het gezag kunnen niet snel opgelegd worden. De enkele grond om een totstandkoming van een omgangsregeling te bevorderen is onvoldoende om een kinderbeschermingsmaatregel of een wijziging van het gezag te verzoeken. Voor een dergelijk verzoek is namelijk meer nodig.

In de praktijk komt het er vaak op neer dat een omgangsregeling wordt afgewezen, aangezien omgang gelet op de gespannen verhoudingen tussen ouders ernstig nadeel zal opleveren voor de ontwikkeling van het minderjarig kind.

De Hoge Raad heeft echter in januari 2014 bepaald dat van de rechter een actieve opstelling wordt verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, NJB 2014/211). Het is volgens de Hoge Raad de taak van de rechter om te bevorderen dat er een omgangsregeling tot stand komt, zeker als de met gezag belaste ouder stelselmatig en zonder goede gronden weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Dit berust op de in artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en kinderen mogelijk te maken. En niet alleen in het internationaal recht, maar ook in het nationaal recht bestaat het artikel 1:247 lid 3 BW waarin is bepaald dat de verzorgende ouder de verplichting heeft om de ontwikkeling van de banden tussen het minderjarig kind en de niet-verzorgende ouder te bevorderen.

Rechters moeten nu goed beoordelen of er niet op de een of andere manier een doorbraak mogelijk is in de weigerachtige houding van een ouder ten aanzien van een omgangsregeling tussen het minderjarig kind en de andere ouder, indien die weigerachtige houding niet uit goede gronden bestaat. Rechter kunnen aansluiting zoeken bij de bovengenoemde handhavingsmogelijkheden. Het is nu de vraag of die ook daadwerkelijk frequenter opgelegd gaan worden. De praktijk zal het uitwijzen!

In maart 2014 heeft de Kinderombudsman het adviesrapport “Vechtende ouders, het kind in de knel” uitgebracht. In dit rapport staat het belang van het kind centraal. De Kinderombudsman, maar ook de Staatssecretarissen en Kamerleden zijn van mening dat vooral (forensische) mediation, omgangsbegeleiding en een bijzondere curator (kindercoach) het belang van het kind dienen.